waotrefpunt.com
Het
Lourdes van de WAO
"Je gaat ziek naar binnen en staat wonderbaarlijk genezen weer buiten
".
" De eerste arts die dat is gelukt: een echte wonderdokter! "
De Slachting van het UWV
Ministerie Sociale Zaken
stellen neemt voor de tweede keer besluiten die in strijd zijn met de wet
Grote financiële gevolgen voor goedgekeurde WAO-ers die een WW uitkering hebben
!!
Belangrijke informatie !!!
Ex WAO'ers schadeloos schadeloos stellen.
Den Haag - WAO'ers die na herkeuring geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn
verklaard hebben in veel gevallen een te lage werkloosheidsuitkering ontvangen
vindt Paul Ulenbelt van de SP.
Volgens een uitspraak van de rechtbank in Utrecht zijn de regels die het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 2005 heeft opgesteld voor de
bepaling van de hoogte van de WW uitkering, na een periode van
arbeidsongeschiktheid, in strijd met de
wet.
'Minister Donner moet met terugwerkende kracht dit onrecht herstellen,' aldus
Paul Ulenbelt, SP-Tweede Kamerlid.
'Dit is de tweede keer dat het ministerie van Sociale Zaken op de vingers wordt
getikt door de rechters, omdat besluiten van de minister rond de herkeuring van
WAO'ers in strijd zijn met de wet. (Eerste keer is was maximering 38 uur)
Ik roep minister Donner op om de besluiten in overeenstemming met de wet te
brengen en af te zien van hoger beroep omdat het anders nog wel twee jaar kan
duren voor de schade is hersteld.'
Sinds 1993 kent de WAO twee uitkeringen.
In de eerste periode is de uitkering gebaseerd op het laatst verdiende loon. Bij
volledige arbeidsongeschiktheid is dat 70% van het laatste loon.
De duur van deze uitkering is afhankelijk van leeftijd en dienstjaren. Als de
arbeidsongeschiktheid na de eerste periode voorduurt, is er recht op een
vervolguitkering.
De vervolguitkering is doorgaans veel lager omdat deze uitkering is gebaseerd op
het minimumloon en een toeslag voor de gewerkte jaren.
Tot 2006 kreeg een WAO'er die weer arbeidsgeschikt werd bevonden, geen baan meer
had maar wel recht op een werkloosheidsuitkering, 70% van het laatste loon,
zoals dat in de WW is bepaald.
In de praktijk betekende dat vaak dat de WW-uitkering hoger was dan de
WAO-vervolguitkering.
In 2005 bepaalde de minister dat de WW-uitkering - nadat iemand eerst een
WAO-uitkering had gekregen - niet hoger kon zijn dan de WAO-vervolguitkering.
Dit betekende dat veel mensen die arbeidsgeschikt werden verklaard niet kregen
waar ze recht op hadden; een normale WW-uitkering waar ze toen ze nog werkten
ook premie voor betaalden.
De rechter zegt nu dat het besluit van de minister uit 2005 in strijd is met de
Werkloosheidswet, omdat die wet bepaalt dat een werkloosheidsuitkering moet zijn
afgeleid van het laatstverdiende loon en dus niet van de laatste uitkering.
Ulenbelt: "Ik hoop echt dat minister Donner afziet van hoger beroep. De rechter
is erg duidelijk geweest.
Nu moet de politiek handelen en de mensen
die het betreft schadeloos stellen."
Bron: Blik op nieuws
............................................................................................................................
Hier volgt de zo belangrijke
uitspraak !!!
Duidelijk is hoe corrupt men weer bezig is en dat 1 man de macht heeft dit te
doen.
Sterker nog; de rest van de Tweede Kamer ziet gewoonweg toe zolang hun eigen
portemonnee maar gevuld is.
In 1998 is er reeds een eerdere uitspraak hierover geweest en dit wordt zomaar
genegeerd !!!
Hoelang moeten we deze regering nog serieus nemen en dit allemaal over ons heen laten komen !!!!!!
Dank aan Paul Ulenbelt die toch bezig blijft voor ons.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector bestuursrecht
zaaknummer: SBR 06/3996
uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 6 augustus 2007
inzake
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
verweerder.
Inleiding
1.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 oktober 2006 (het
bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit
van 20 juni 2006 ongegrond heeft verklaard.
Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder eiseres met ingang van 1 juni 2006
een loongerelateerde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend ter
hoogte van € 14,65 bruto per dag.
1.2 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Eiseres is
daar vertegenwoordigd door mr. S. Broens, advocaat te Utrecht.
Namens verweerder is verschenen mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het UWV.
1.3 Na de behandeling ter zitting is het onderzoek met toepassing van artikel
8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) heropend en verwezen naar de
meervoudige kamer van de rechtbank.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek
ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 juni 2007 gesloten.
Overwegingen
2.1 Eiseres, laatstelijk werkzaam als coördinator in de geboortezorg gedurende
33,04 uur per week, ontving ten gevolge van haar uitval voor haar werkzaamheden
op 22 juni 2000, sinds 21 juni 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Van 1 december 2003 tot 3 november 2005 werd deze uitkering, op grond van door
eiseres met een werkweek van 24 uur verworven inkomsten uit arbeid, met
toepassing van artikel 44 van de WAO, uitbetaald als ware eiseres in deze
periode 35 tot 45% arbeidsongeschikt.
Bij besluit van 29 maart 2006 heeft verweerder de WAO-uitkering van eiseres met
ingang van 30 mei 2006 ingetrokken aangezien eiseres vanaf die datum minder dan
15% arbeidsongeschikt werd geacht.
2.2 Op 16 mei 2006 heeft eiseres zich tot verweerder gewend met het verzoek haar
per 1 juni 2006 in aanmerking te brengen voor een WW-uitkering.
2.3 Bij primair besluit van 20 juni 2006 heeft verweerder eiseres met ingang van
1 juni 2006 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend naar een - van het
WAO-vervolgdagloon afgeleid - dagloon van € 76,50 onder de navolgende
overweging:
Bij het vaststellen van uw uitkering zijn wij uitgegaan van het aantal uren dat
u gemiddeld per week heeft gewerkt, 33,04 uur, en van het aantal uren dat u
heeft verloren, 9,04 uur per week.
Verder gaan we uit van het loon dat u gemiddeld per dag verdiende. Uw dagloon is
€ 76,50. Uw WW-uitkering is dan 70% van € 76,50 x 9,04/33,04, dat is dus € 14,65
bruto per dag.
2.4 Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is bij het bestreden besluit
ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat artikel 13, eerste en zesde
lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (Staatsblad 2005, 546
en hierna: de Dagloonregels) van toepassing zijn en dat het WW-dagloon dient te
worden gerelateerd aan het WAO-vervolgdagloon.
Onder de werking van de Dagloonregels wordt het dagloon niet langer gebaseerd op
het laatstelijk verdiende loon maar op het gemiddelde van het in het laatste
jaar ontvangen loon, in dit geval de ontvangen WAO-uitkering, aldus verweerder.
2.5 In beroep heeft eiseres de juistheid van dit oordeel gemotiveerd bestreden.
Daartoe heeft zij in het bijzonder naar
voren gebracht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van
Beroep (CRvB) van 15 januari 1998, LJN: ZB7503, dat artikel 13 van de
Dagloonregels onverbindend moet worden geacht.
Door het WW-dagloon af te leiden van het WAO-vervolgdagloon wordt er geen recht
gedaan aan het loondervingsbeginsel, zoals dat is neergelegd in het stelsel van
de WW.
Tot slot heeft eiseres verzocht om het UWV te veroordelen in de proceskosten en
tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.
2.6 De toepasselijke regelgeving luidde op 1 juni 2006 als volgt.
Artikel 45, eerste lid, van de WW bepaalt dat voor de berekening van de
uitkering waarop op grond van deze afdeling recht bestaat als dagloon wordt
beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar,
die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het
aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies, bedoeld in artikel 16, eerste
lid, is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking
tot een loontijdvak van een dag.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld
in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels
gesteld.
Artikel 13, eerste lid, van de (op grond van artikel 45, tweede lid, van de WW
tot stand gekomen) Dagloonregels, bepaalt dat het WW-dagloon van de werknemer
die op de dag voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO heeft ontvangen naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, indien die uitkering met ingang van de
eerste werkloosheidsdag wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald op
grond van artikel 43, eerste lid, of artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de
WAO, gelijk is aan het laatstelijk geldende WAO-dagloon.
Artikel 13, zesde lid, van de Dagloonregels bepaalt dat indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering laatstelijk was gebaseerd op een
WAO-vervolgdagloon bij de toepassing van het eerste, tweede, vierde en vijfde
lid voor "WAO-dagloon" wordt gelezen: WAO-vervolgdagloon.
2.7 Aan de toelichting bij artikel 13, eerste en zesde lid, van de Dagloonregels
ontleent de rechtbank dat met het opnemen van het zesde lid is beoogd te
voorkomen dat de overgang van een WAO-vervolguitkering naar een WW-uitkering
leidt tot een verhoging van het dagloon.
Dit blijkt ook uit de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 27 juni 2006 (TK, 2005-2006, Aanhangsel) waarin de minister schrijft dat
ervoor gekozen is om voor werknemers die voorafgaand aan de eerste
werkloosheidsdag een WAO-vervolguitkering ontvingen, de WW-uitkering te baseren
op het (lagere) vervolgdagloon.
De WW-uitkering is dan niet hoger dan de voorafgaande WAO-uitkering.
De rechtbank stelt vast dat verweerder deze bepaling ook heeft toegepast bij de
berekening van het thans in geschil zijnde dagloon voor de 9,04 uren waarvoor
eiseres bij het besluit van 20 juni 2006 met ingang van 1 juni 2006 een
WW-uitkering is toegekend.
2.8 Gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, overweegt de
rechtbank dat de bepalingen van de Dagloonregels algemeen verbindende
voorschriften zijn waaraan slechts verbindende kracht kan worden ontzegd indien
de door de regelgever gemaakte keuzes strijdig moeten worden geacht met een
hogere - algemeen verbindende - regeling, dan wel indien met inachtneming van de
beoordelingsvrijheid van de regelgever en derhalve met terughoudendheid
toetsend, geoordeeld moet worden dat de voorschriften een toetsing aan algemene
rechtsbeginselen niet kunnen doorstaan.
2.9 De rechtbank overweegt dat voor de dagloonberekening zoals neergelegd in
artikel 45, eerste lid, van de WW, het loon voorafgaande aan het aangiftetijdvak
waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden, in aanmerking wordt genomen.
Het loondervingsbeginsel van de WW wordt hierin tot uitdrukking gebracht.
De rechtbank merkt ter zake nog op dat zij verweerder niet volgt in zijn
stelling dat bij de wijziging van de WW en de Dagloonregels is beoogd afstand te
nemen van het loondervingsbeginsel. Naar haar oordeel is slechts beoogd (enige)
wijziging aan te brengen in de wijze van berekening van het gederfde loon.
Het arbeidsurenverlies, bedoeld in deze bepaling, heeft eiseres naar het oordeel
van de rechtbank, gelet op de bewoordingen van artikel 45, eerste lid, van de
WW, geleden door de beëindiging van haar voormalige dienstbetrekking als
zorgcoördinator bij Geboortezorg en niet als gevolg van de intrekking van haar
WAO-uitkering met ingang van 30 mei 2006.
2.10 Door de aan eiseres toegekende WW-uitkering niet te baseren op het door
eiseres genoten loon in dienst van haar hiervoor genoemde werkgever of op het
WAO-dagloon maar op het (lagere) WAO-vervolgdagloon wordt het
loondervingsbeginsel als grondslag voor de berekening van het dagloon verlaten.
Naar het oordeel van de rechtbank komt artikel 13, zesde lid, van de
Dagloonregels daarmee in strijd met artikel 45, eerste lid, van de WW zodat die
bepaling in zoverre als onverbindend buiten toepassing dient te blijven.
2.11 De vraag of artikel 13, zesde lid, van de Dagloonregels niettemin
verbindend is, nu op grond van artikel 45, tweede lid, van de WW zo nodig in
afwijking van het eerste lid nadere regels kunnen worden gesteld, beantwoordt de
rechtbank ontkennend.
Naar haar oordeel strekt de bevoegdheid van de lagere regelgever om van artikel
45, eerste lid, van de WW af te wijken, gelet op strekking van dit artikel 45 en
het verzekeringskarakter van de WW, niet zover dat het loondervingsbeginsel als
grondslag voor de dagloonberekening mag worden verlaten en mag worden vervangen
door een uitkeringsgrondslag gebaseerd op het WAO-vervolgdagloon dat gelijk is
aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen het
minimumloon en het dagloon. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet
af dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in zijn voornoemde brief
van 27 juni 2006 op gestelde vragen heeft geantwoord dat ervoor is gekozen om de
WW-uitkering van werknemers die voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag een
WAO-vervolguitkering ontvingen, te baseren op het lagere vervolgdagloon.
Verweerder zal het WW-dagloon moeten vast stellen met inachtneming van de in
artikel 45, eerste lid, van de WW omschreven maatstaf.
De rechtbank merkt hierbij op dat zij, zoals de CRvB in zijn voornoemde
uitspraak van 15 januari 1998 ook heeft geoordeeld, de koppeling van het
WW-dagloon aan het loongerelateerde WAO-dagloon niet in strijd acht met
voormelde grenzen omdat bij de vaststelling van een loongerelateerde
WAO-uitkering eveneens wordt uitgegaan van het loondervingsbeginsel.
2.12 Uit het voorgaande volgt dat artikel 13, zesde lid, van de Dagloonregels -
als zijnde onverbindend - bij het vaststellen van de hoogte van het dagloon van
eiseres buiten toepassing moet worden gelaten. Het bestreden besluit is dan ook
genomen in strijd met artikel 45, eerste lid, van de WW en komt om die reden
voor vernietiging in aanmerking.
2.13 In het vorenstaande vindt de rechtbank aanleiding verweerder op grond van
artikel 8:75 van de AWB te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een
bedrag van € 644,- wegens kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het
beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting ŕ € 322,- per punt).
De rechtbank ziet in dit stadium geen aanleiding om het verzoek van eiseres om
verweerder met toepassing van artikel 8:73 van de AWB te veroordelen tot
vergoeding van de geleden schade bestaande uit de wettelijke rente, toe te
wijzen.
Verweerder dient bij het nemen van een nieuw besluit (tevens) aandacht te
besteden aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre er termen zijn om de wettelijke
rente te vergoeden.
De rechtbank beslist als volgt.
Beslissing
De rechtbank Utrecht,
recht doende,
3.1 verklaart het beroep gegrond,
3.2 vernietigt het bestreden besluit,
3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na het onherroepelijk worden van
deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het
besluit van
20 juni 2006,
3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €
644,-, te betalen door de het Uwv,
3.5 bepaalt dat het UWV het door eiseres betaalde griffierecht van € 38,-
vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk, als voorzitter en mrs. G. van Zeben
en Y. Sneevliet als leden en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2007.